Een recept omrekenen naar een andere bakvorm
Is je recept geschreven voor een andere bakvorm? Meet beide vormen aan de binnenkant: je ziet hoeveel er meer of minder in de andere past, en hoeveel deeg je nodig hebt om hem even hoog te vullen.
× 1,2 In de andere vorm past 20 % meer dan in de vorm van het recept.
900 g deeg in plaats van 750 g, om de andere vorm even hoog te vullen.
| Maat | Vorm van het recept | Je andere vorm |
|---|---|---|
| Bodemoppervlak (cm²) | 275 | 330 |
| Inhoud (cm³) | 1.925 | 2.310 |
Inhoud: 2.310 ÷ 1.925 = 1,2. Bodemoppervlak: 330 ÷ 275 = 1,2.
Dezelfde vulhoogte betekent niet dat elke vorm evenveel deeg aankan: een recept voor die vorm of de aanwijzing van de maker gaat voor. Bij schuine wanden is de uitkomst een benadering.
De berekening
Bodemoppervlak = lengte × breedte aan de binnenkant; inhoud = bodemoppervlak × hoogte. De inhoud van de andere vorm gedeeld door die van de vorm uit het recept geeft de verhouding. In het voorbeeld: 30 × 11 × 7 = 2310 cm³ tegenover 25 × 11 × 7 = 1925 cm³, dus 1,2 keer zoveel. Om de andere vorm even hoog te vullen, heb je het deeg uit het recept maal deze verhouding nodig: 750 g × 1,2 = 900 g. Alle ingrediënten veranderen in dezelfde verhouding; het makkelijkst gaat dat via de bakkerspercentages met het nieuwe deeggewicht.
Wat de berekening niet weet
De berekening behandelt elke vorm als een prisma. Veel bakvormen zijn bovenaan breder dan op de bodem; meet dan halverwege de hoogte of zie de uitkomst als een benadering. Hoe vol je een vorm kunt doen, hangt af van het deeg en van hoeveel het in de oven rijst. Een recept voor jouw vorm of de aanwijzing van de maker gaat voor. De berekening rekent de baktijd niet om: controleer of het brood gaar is in plaats van op de tijd uit het recept te vertrouwen.
Broodvormen, ook die met een deksel voor vormbrood, worden vergeleken in onze gids over broodvormen (in het Engels).